gedichten over doodgaan
de dag dat
de
dag dat
mijn
vader doodging
het
was een dinsdag
een
weerloze dag
met
grijze winterresten
vroeg
in de morgen
na
het ontwaken
sliep
hij na een aarzeling in
het
laatst van zijn zien was ik
zonder
waarschuwing
verdween
hij onder mijn ogen
het
koude lijf als afscheidsteken
achterlatend
het
uur stond onverzettelijk
stil
en
daarna
een
langwerpige schaduw
volgde
me naderhand
krampachtig
en eindeloos
door verwarringen
en duizend dagen zonder licht
moeders
de dag dat
moeder stierf
het was een woensdag
een herfstachtige
woensdagavond
boven de dakenrij
ontbrandt zich
een feestelijk vuurwerk
huizenhoog
de binnenstad verlicht
zichzelf luidruchtig
in kleurige vonkenregens
onderhand
tegelijkertijd
ben je onmerkbaar
aan de reis begonnen
in ongrijpbare minuten
versmalt het laatste pad
en
je verdwijnt
de lange gangen door
zoeken we je op
maar
je bent al weg
het vuurwerk is
gedoofd
je ring
wordt onhoorbaar
afgedaan
en er valt opnieuw een stilte
een beschreven
deze breekbare vrouw
bestaat uit dunne woorden
gestreelde jeugdjaren en
verstaanbare warmtes
ook uit de stilaan dovende
maanden
aarzelingen tussen leven
en het overgaan
de oogleden soms grimmig
overrompeld
maar
standvastig temidden van
broederlijk verband
gedeeld middelpunt en de
ouderlijke samenspraak
de tijd
versnelt zich echter
het lichaam verliest zijn uren
en trefzeker verkleint
zich de dag rondom
eeuwige slaap
dringt zich uiteindelijk op
roerloos
gehaast onmerkbaar
binnengeslopen
is het plotseling volbracht
en stil opeens
de verlaten momenten
de tijd wordt vergeten
het glas is gebroken
en hoe nu
dienen zich de dagen aan
hoe nu vullen zich de
herinnerde uren
tussen achterlaten en oppakken
herhaal de woorden
koester zoveel zinnen
en doorleef het moment
het zachte ademhalen van de
nacht
ritselingen in hoge boomtoppen
de regenbui op het dakraam
en het zomers glooien van het
landschap
leer luisteren naar
het onhoorbare
zie het onzichtbare
herhaal wat
nog niet gesproken is
voor een overleden moeder
beeld
voor beeld
beeld
voor beeld
de
flarden vroeger
de
middag wordt winterstil
breeduit
vrieslucht
de
kist rust
het
concert vioolt
plastik
plant
en
oprecht het verdriet
rondom
in tranen van
verschillen
pa
het
roerloos wegstaren
het
zicht kent geen wijken
de
warme hand herhaalt zich ook hier
de
greep vaderlijk houvast
bij
de verwachte misstap op de hoofden
de
bus terug
op
schoot voor het kijken
grijs blijft de geur van zijn jas
herfst
stormen verliezen
hun stemming
herfst
blaast zijn
laatste
adem
de
winterdag valt in grijs in
zijn
nacht hangt breed
vanachter
noordoost
mijn inslapen is begonnen
stil huiswaarts
een
zondagmorgentrein
de
eindwijk
nieuwbouw
het
ziekenhuis
als kloppend hart
liftend
naar acht
stil
op bed en je gezicht
licht
op in de herkenning
achter
het slaaphuis
speeltuin
in onwennig zonlicht
je
ogen toegenegen medelevend
streel
ik je wang
het
terras daarna vreemd leeg
schijnbaar
mijn genieten
de
schaduwen van jouw achterblijven
omranden
de dag
onzeker
gaan we samen
door
de grote stad
de
rondvaartboot
kringelt
zijn cirkelgang
bewogen
lossen onze uren op
pratend
ondergaan we merkbaar de ongevraagde afloop
het
achterlaten tegemoet
het
gebouw groeit in onze terugreis
het
afscheid ligt trefzeker binnen handbereik
kon
ik je maar
stelen
verlossen
en
stil huiswaarts daarna
ik
houd mijn tranen zelf
verberg
mijn gevelde zekerheid achter praten
ik
omklem je handen en zwijg
tot
het treffend afscheid
bovenin
mijn hoofd
alleen
het
bos
ruist na en verstilt
de
eend rimpelt het
vlak
in
rondingen
de
parkvijver
met
randen treurwilg
het
beeld rust
langs
oude
platanen
roerloos
in
ochtendmist
het stadspark
weerskanten
de
muur ritselt zijn geluiden
vanachter
de stenen
blindelings
bekend
het
verlate herfstlicht
een
vlaag bladert stille dagen
gesneuveld
blijkt
het
blijven
het
uitgesproken woord echter
zal
zijn herkenbare plaats
hernemen
de
steen bezit een eeuwigheid
bolwerk
de stad verkleint
in avondlucht
zijn beelden op het bolwerk
verschimmen op de sokkels
de bok allang verlaten
mos in korsten op de randen
en stil wordt mijn pad
laat ons gaan
laat
ons gaan
waar
de gracht rimpelt en de
noordermarkt
zijn publiek
hand
in hand treft
laat
ons gaan
en
stel niet meer uit
schilderij
museumwandeling
en
koffie om een hoek
laten
we toch gaan
voordat
de stad
onze
namen uiteindelijk vergeet
noord-holland
wolken
in overvloed
de
lengten laag de aanblik
vlak
koeien
hun
ruggen de heuvels
de
landerijen boerderijen
rieten
driehoeken
en
kerktorens
onbewogen
handgrepen
tot herkenning
van
elke verte
het
laagland de
aangeboren
ondergrond
bladeren
in
beelden
de
vader
heeft
hier zijn voeten
nagelaten
het
graf echter al
geruimd
tot
tastbaar spoor
gewist
de
steen verzand
binnenin
het
vergroeid
houvast
zolang
landschappen zich voegen in
gedichten Rob Komen