de verhalen

op deze pagina staan verhalen die ingestuurd zijn
naar aanleiding van de illustraties waarop steeds een doos staat afgebeeld.
Het Baken

Het
is rustig op straat, de auto die haar tegemoet komt is de eerste en enige die ze
gezien heeft in deze vroegte. Hanna denkt na over haar leven, na de koude doch
uiterst aangename nacht die ze gehad heeft. Heden en verleden kruisen elkaar. De
angst en de verwachting ook. Kan ze passeren aan wat geweest is? Ze rijdt
verder, in strijd met zichzelf.
Bij
het baken verderop is ruimte om de auto te parkeren. Ze besluit te stoppen,
maakt de gordel los, doet de lichten van de auto uit en blijft nog even zitten,
wel of niet voelen hoe het was? Eerst een sigaret, even uitstellen, tot zichzelf
komen, ze is gespannen en voelt klam aan. De sigaret is bijna opgebrand, ze
dooft hem. Ze doet de CD speler uit en draait het contactsleuteltje om. Het is
nu stil om haar heen.
Natte
voeten van het ochtenddauw.
Ze maakt de deur van de auto open, het is kil. In de kleine ruimte van de auto
was het warm. Ze vergrendelt de auto en loopt langs de kant van de weg door de
berm, terug in de richting vanwaar ze
kwam. Haar schoenen zijn lek, ze krijgt koude natte voeten van het ochtenddauw.
Ze voelt zich op dit moment onzeker en angstig. Langzaam komt ze het punt nabij
waar een kracht binnenin haar dwingt te lopen.
Met de handen in de zakken van haar jas steekt ze de weg over en belandt in
gedachten bij haar jeugd vanaf het prille begin. Haar kindertijd, de haat liefde
verhouding die ze met haar vader had. Haar moeder die het stiekem voor haar
opnam, wat de verhouding met haar vader er niet beter op maakte. Vanaf haar
prilste jeugd.
Felpaars gezicht en rood stoppelhaar.
Ouders
die haar vertelden, als je probeert een goed mens te zijn kom je in de hemel en
zo niet, beland je in de hel. Haar grootouders deelden deze mening en op school
deden de kapelaan en de schoolmeester vrolijk mee aan deze geloofsovertuiging.
Ze had zo jong als ze was al een eigenwijze levensopvatting.
Ze probeerde aan de verwachtingen te voldoen, ze moest wel, wilde ze niet in de
hel belanden. Haar jeugd, ravottend, bomen klimmend, hutten bouwend, kikkers
vangend en slootje springend met haar leeftijdgenoten. Ze werd in haar
ondernemendheid afgeremd door volwassen om haar heen. Meisjes dienden zich te
gedragen en met poppen te spelen. Eerlijk, ze heeft haar best gedaan, ze vond er
niets aan. Poppen waren leuk om te beschilderen, en haren af te knippen, helaas,
de verf wilde er niet meer af en de haren groeiden niet meer aan. Ze glimlacht
om de herinnering, ziet de pop weer voor zich, met fel paars geschilderd gezicht
en het beetje vlammende rode haar wat nog over was, als stoppels uit het
poppenhoofd komen.
Muzikale beestenbende
Ze
was beter in het opkweken van kikkerdril waar ze naar verloop van tijd
kikkertjes uit kwamen, door intense verzorging en iedere dag naar de sloot te
gaan om watervlooien te vangen. De kikkervisjes moesten voedsel hebben en
regelmatig schoon slootwater. Ze voelde zich verantwoordelijk voor haar zelf
gevangen huisdieren. Ze had rupsen, stekelbaarsjes en salamanders. En wat
gangbaarder huisdieren, een kat, een hamster, konijnen en geiten. Af en toe kwam
ze een ander beest tegen wat steevast mee naar huis gesleept werd. Ze voelde
zich weer even het kind, druk in de weer met al haar beesten.
De schooltijd brak aan, ze leerde rekenen en schrijven en met een aantal
klasgenootjes mocht ze gebruik maken van een gitaar en een drumspel, ze speelden
en zongen en hadden plezier met elkaar. Het heeft niet zo lang geduurd, haar
ouders gingen verhuizen en ze moest mee. Weg uit haar vertrouwde omgeving, geen
afscheid kunnen nemen, dat gaf alleen maar ellende, vonden de volwassen om haar
heen. De schoolvakantie naar haar grootouders, ze liep alleen maar in de weg
tijdens de verhuizing, aldus haar ouders.
Stokoude
familie van minstens 100 jaar.
Zes weken van huis weg, ze vond het een verschrikking en voelde zich eenzaam,
maar durfde dit niet aan te geven. Ze moest een grote meid zijn en vooral niet
lastig, deze boodschap had ze van thuis meegekregen. De familieleden, ooms en
tantes probeerden haar uit de tent te lokken, ze beet liever het puntje van haar
tong af dan te zeggen dat ze heimwee had. Ze probeerden het wel naar haar zin te
maken, maar ze waren al 100 jaar of zo, in elk geval hééél oud volgens haar.
De
schoolvakantie was voorbij en haar familie woonde in een ander deel van het
land.
Haar vader kwam haar ophalen en vertelde enthousiast over het nieuwe huis en de
woonplaats. Hij wees haar van alles aan. Jaja, het zal wel, dacht ze. Ver bij
haar oude omgeving vandaan, ze kon en wilde eigenlijk niet geloven dat haar dit
aangedaan was.
Ze had stil de hoop dat men een lugubere grap met haar uitgehaald had. Niets was
minder waar. De verhuizing was een feit.
Klassikale
pispaal.
In een vreemde, voor haar gevoel andere wereld, met andere klasgenoten, voelde
ze zich eenzaam, een vreemde, ze hoorde er niet bij. De hoofdmeester zag haar al
helemaal niet zitten, wat door klasgenoten in dank afgenomen werd, ze hadden een
pispaal. De dreiging op een manier van, als je dit niet doet dan……..
Het
dan… is niet zo ver gekomen, ze deed meestal wat haar opgedragen werd. Één
keer herinnert ze zich, liep ze met
een goudvissenkom richting klas. Een klasgenoot smeet de deur expres hard dicht,
vissenkom stuk en de vis ternauwernood van de dood gered. Een grimas trekt over
het gezicht van Hanna. Ze voelt bijna weer de angst van toen..
De middelbare schooltijd brak aan, ze moet
iets van elf of twaalf jaar geweest zijn. Ze was de enige van haar lagere
schoolklas die naar deze school belandde. Ze had zich voorgenomen; dit nooit
weer. Geen pesterijen meer, als er gepest gaat worden, ben ik degene die pest en
niemand anders. De ooit vrolijke en later bange onzekere Hanna onderging een
totale karakterverandering. Het kwetsbare wat ze in zich had zat achter slot en
grendel. Jaren en jaren heeft ze deze houding aangenomen. Er is veel misgegaan
in haar leven. Hanna roept een halt toe aan haar herinneringen, het is nog te
pijnlijk, te gevoelig, de wonden zijn nog niet geheeld. Ze is op de goede weg,
niet alles tegelijk, ik mag op een later tijdstip verder gaan denkt ze. Niet
teveel in één keer willen.
Er komt
een zachte glans.
Een doos langs de kant van de dijk, dit is symbolisch denkt ze. De doos staat
open, schreeuwt bijna, stop je herinneringen in mij. Ze pakt hem op, slap van
het vocht, er zit geen inhoud in. Ze zal hem mee naar huis nemen en loopt langs
de nog donkere huizen weer richting het baken, waar haar auto geparkeerd staat.
Een
paar jaar geleden heeft ze een baken gevonden wat haar de goede richting in
heeft geholpen. Nog steeds peinzend komt ze weer bij haar auto aan. Ze voelt
zich minder bezwaard, rustiger. Ze zet de doos op de achterbank en besluit nog
even naar het strand te gaan. Ze vindt een paar mooie schelpen, voor elke
verwerkte herinnering één schelp. Ze legt ze in de verweekte doos op de
achterbank. Thuis zal ze de schelpen met een onzichtbare lak behandelen. De
herinneringen en gebeurtenissen zullen een zijdeachtige glans krijgen. De doos
met de schelpen zal ze op zolder neerzetten.
De rest komt later.
Anja Fokker, 45 jaar
De mompelende doos.

Ik
ga je nu een zelfbeleefd, mysterieus verhaal vertellen. Het begon allemaal hier:
AHUM!
We
stapten dus uit de auto en liepen naar de doos toe. Toen we dichterbij kwamen,
hoorden we dat de doos mompelde. We schuifelden wat dichterbij.
Einde
Lois Grooff, 12 jaar
Op een donkere
herfstavond ben ik op weg naar huis. In de verte zie ik het licht van de
vuurtoren.
Dat geeft me een veilig gevoel.
Normaal is er bijna geen verkeer op deze weg. Dan nadert er heel in de verte een
auto.
In het licht van onze koplampen zie ik ineens een openstaande doos in de berg
liggen. Wat zou erin zitten
of wat zou erin gezeten hebben ?
Zou ik gaan kijken ?
Heel langzaam rijd ik tot bij de doos, stap uit en loop voorzichtig naar de doos.
kijk .....en zie drie pas geboren katjes.
Wat kan ik doen ? Ze nu meenemen en morgen naar het asiel
brengen of...zal
ik ze zelf houden ???
Even later
rijd ik met de doos op de
achterbank naar huis.
Riet ten Dam, 77 jaar

Het geheim in
de doos.
Het
was avond. De man die niemand ooit had gezien, sloop midden in de nacht het dorp
uit, met een doos onder zijn arm. Niemand heeft gezien waar hij heen is gegaan.
De man liep tot aan het volgende dorp. Hij pakte een propje papier uit zijn
jaszak, en stopte het in de doos. De man zette de doos in de bosjes en rende
weg. Niemand weet waarheen.
De
volgende morgen waren er twee meisjes aan het overgooien met een bal. De bal
rolde de bosjes in, en bleef bij de doos liggen. Eén van de meisjes zag de doos
staan en nam hem mee naar haar vriendin. Ze zei:”Isabel er stond een doos in
de bosjes en kijk, er zit een propje papier in de doos.” Isabel pakte het
propje uit de doos. Het was nog nat van de regen. Maar je kon nog net zien wat
er op stond. Ze zegt tegen Maaike “ Lees eens voor. “ Maaike leest de brief
voor. Er staat;” Loop tot aan de slager, ga links af de Lindenlaan in . Tot nu
toe heb je het goed gedaan.” Maaike kijkt haar vriendin vragend aan en haalt
haar schouders op en zegt:” Ik snap niet wat dit betekent, maar het is wel
spannend. Wat staat er nog meer in de brief, lees nou verder.” Maaike leest
verder. “In de tweede boom aan je linker hand,zit een gat. Stop je hand erin,
er gebeurd niets.” Isabel zegt: “Waar wachten we nog op, op naar de
Lindenlaan, naar de tweede boom aan je linker hand met het gat erin.”
Die
middag fietsen de meisjes naar de Lindenlaan. Inderdaad vinden ze bij de tweede
boom het gat in de stam. Isabel stopt haar hand in het gat en pakt er een klein
doosje uit. Ze kijkt verbaasd naar haar vriendin en doet het doosje open. Er zit
weer een propje in. Maaike pakt het briefje uit de doos. Ze geeft het briefje
aan Isabel en zegt:”Nu mag jij het voorlezen.” Isabel pakt het briefje aan
en begint met tegenzin te lezen. Er staat; "Je hebt de eerste opdracht goed
gedaan, nu volgt de tweede. Die is nog veel moeilijker, dus pas op. Ga morgen om
negen uur ’s ochtends naar het bos. Hier heb je een kaartje daar staat precies
op hoe je moet fietsen. Veel succes en tot morgen.” Nou dat moeten we dan maar
doen hè?” “ Ben je gek of zo dat kan gevaarlijk zijn, en het mag toch niet
van je moeder. Je mocht niet eens hierheen komen. Ze zei Isabel, straks wordt je
nog vies.” “ Ja maar dat was toen ja.” Isabel slaat haar armen over elkaar
en kijkt de andere kant op. “Nou ik maak maar een grapje, kom we gaan naar
huis. En weet je wat, we zeggen gewoon dat we een eindje gaan fietsen of zo,
verzin maar wat.”
Onderweg
praten ze over wat er morgen kan gebeuren.
De
volgende morgen fietsen de meisjes om negen uur door het bos.
Het is voorjaar, dus alles staat in bloei. “Wat is het mooi hè,
Isa?” “Noem me nou niet steeds Isa, als je mijn naam niet meer weet vraag je
het maar hoor”. “Ik vind Isa veel leuker om te zeggen.” “Dan noem ik jou
Maaik hoor”. “Ik vind het best”. Na een kilometer of twee staan ze ineens
voor een groot landhuis. Ze zetten hun fietsen tegen het huis aan. Ze lopen naar
de voordeur. Daar voor het huis staat weer een doos.”Hè bah, ik wordt gek van
al die dozen.” “Niet zo zeuren, kom we gaan kijken wat er in de doos zit.”
“Wacht,
ik wed dat er weer een propje papier in zit.” “Weet je Maaik, ik denk dat je
gelijk hebt, maar toch moeten we kijken wat er in die doos zit.” “Nou ga jij
maar kijken. Jij leest wat er in de brief staat, okee?” “Nou geef hier dan,
er staat: Wat zijn jullie goed zeg, nou hier komt de laatste opdracht. Achter
het huis is een schuur. Ga hier naar binnen, op tafel staat een doos. Kijk wat
er in zit.” “Nou kom op.” Als ze om het huis heen lopen zien ze een oude
schuur. Ze gaan naar binnen. Er staat een doos op tafel. Ze kijken wat er in
zit. Er zit een doos in. “Nou maak hem open dan.” Isabel doet de doos open.
Er zit nog een doos in, en in die doos zit weer een doos. Isabel maakt er wel
zes open. Eindelijk zit er een heel klein doosje in. Isabel zegt:"Ik kan
geen doos meer zien, maak jij hem maar open Maaik.” Maaike doet het strikje
eraf, en begint hard te lachen als ze ziet wat er in zit. In het doosje ligt een
foto met op de achterkant geschreven; “Verrassing !! Goed gedaan Isa en de
groeten van opa Piet.” Oh nee hè, heb ik me daarom zo uitgesloofd. Waarom
overkomt mij dit altijd.”
Even
later fietsen de meisjes naar huis. “Ik kan geen doos meer zien”, zegt Isa.
“Nee, ik ook niet, maar het was toch wel leuk?” “Ja, dat wel.”
EINDE
Marleen Plat, 12 jaar

Zoals
elke zondagmiddag liep ik op de kade van de haringhaven in IJmuiden. Een ideale
gelegenheid om mijn gedachten de vrije loop te laten. Oplossingen zoeken voor
kleine en grote vraagstukken waar een ieder wel eens mee zit. Ik deed dat het
liefste hier. Ongestoord en ontspannen. Het zonnetje scheen zwakke stralen
tussen de bewolking door. Het vervuilde water lag rimpelloos tegen de kade aan.
Een paar groen geschilderde Texelse kotters lagen bij elkaar afgemeerd. Ik
struikelde bijna over een bundel touwen die op een slordige manier half over de
kade verspreid lag.
Een meeuw liet zich van twintig meter naar beneden vallen en verschalkte een
spiering. Onder het omhoog vliegen gleed de spiering door zijn keel. Het deed
mij aan mijn Opa denken. Ik ging op een bruin houten bankje zitten en gaf het
trauma en de herinnering de ruimte, ik was acht jaar oud:
19
oktober 1961
Slagregens
striemden opgezweept door een Noordoosterstorm mijn slaapkamerraam. Ondanks dat
moeder het raam met een houten luik afgegrendeld had, tochtte het. Het dak
kraakte, de tak-ken van de bomen in de tuin zwiepten hoorbaar heen en weer. Het
gordijn naast mijn bed dat de ruimte ontstaan door het schuin aflopende dak
afschermde, golfde. Draaiend en woelend, schrok ik om 3.00 uur wakker; er werd
gebeld.
Ik hoorde vader mopperend de trap aflopen. Ik sloop achter hem aan en bleef
boven aan de trap liggen. Ik zag twee agenten in de deuropening staan die mijn
vader na een paar minuten een hand gaven:
`Sterkte meneer Deets.`
Vader sloot de deur en liep de huiskamer in. Ik liep langzaam de trap af
en zag hem met zijn hoofd tussen de handen in de huiskamer zitten. Zijn
onberispelijke gekamde zwarte haar, glom van de brillantine die hij er overdag
insmeerde. Hij veegde met de mouw van zijn lichtblauwe pyjama zijn neus af.
`Pap?`
Hij keek mij verbaasd aan en zei zacht:
`Opa heeft een ongeluk op zee
gehad.`
Mijn benen verloren kracht, mijn ademhaling versnelde. Opa die grote
sigarenpeuken in de staande asbak achterliet en die ik in de keuken oprookte.
Opa die mij zijn restje cognac liet opdrinken, die mij altijd op schoot nam. Dat
kan toch niet?
`Opa zei dat hij naar huis zou zwemmen als zijn schip zonk, waarom doet hij dat
nu dan niet?`
Vader zweeg. Zijn zwijgen was een bevestiging van een jarenlange leugen. Een
leugen die beter voelde, een leugen die mijn angsten wegnam als het hard
stormde, maar mij nu met de realiteit confronteerde. Ik werd misselijk, vader
stak zijn armen uit en trok me op schoot. Voor het eerst, het voelde vreemd en
onwennig.
Ik
draaide een shaggie en stak het op. Ik inhaleerde diep en hield de rook zo lang
mogelijk in mijn longen vast. Een meeuw streek aarzelend naast me op het bankje
neer. Ze pikte wat achtergebleven broodkruimels op.
Vorig
jaar heb ik bij de raad van de scheepvaart het verslag van het ongeluk
opgevraagd. Ik had een aantal vragen die mij bezig hielden. Het verslag loste
veel vragen op en ik ben dankbaar dat ik nu zijn laatst gehoorde woorden ken. Ik
ben dankbaar dat ik nu de locatie weet waar het schip vergaan is. 70 liter
loodvrije benzine zou genoeg zijn om Opa thuis te brengen, indien het land
betrof. Ik heb met het idee gespeeld om een bergingsschip met duikers in te
huren. Wat zal er na 45 jaar in de Noordzee gelegen te hebben nog van hem over
zijn? Het is beter om de situatie maar te laten zoals hij nu is….
Mijn
onderlip trilde, ik trapte mijn shaggie op de grond uit. Ik snoot mijn neus en
keek naar de havenuitgang. Ik stond op en ritste mijn jas tot bovenaan toe
dicht. De meeuw vloog krijsend weg. Misschien zie ik je volgende week weer,
meeuw? Ik liep de kade terug en stapte de auto in.
________________________________
Verslag
van de schipbreuk van de Elie Cheniveire IJM. 32 / 19 oktober 1961.
De
IJM.32 was een geklonken motortrawler, telde 14 bemanningsleden, in 1945
gebouwd, 41 meter lang en 8 meter breed. 319 bruto registerton en voortbewogen
door een 600 pk, 6 cilinder, 2-takt-Sulzer dieselmotor.
Op
9 oktober 1961 waren ze op weg naar de 58e breedtegraad, 3 graden
O.L., 300 zeemijl boven Den Helder. Ze hebben daar tot 18 oktober gevist en
hadden 550 kisten haring, makreel en schelvis aan boord.
Voordat de thuisreis aanving, werd de vis verwerkt en de netten gerepareerd.
Door de N.O. storm liet schipper J.Blok het schip voor de wind varen. Na enige
tijd kon dat door de hoge golven niet meer en moest het schip de kop in de wind
steken. Om 21.55 kwam olieman de Jong op de brug en meldde een lek in de
machinekamer. De schipper spoedde zich naar beneden om polshoogte te nemen. Het
weer werd slechter, er ontstonden hevige buien. Het elektrisch licht ging uit.
De schipper kwam om 22.05 weer op de brug. De stuurman werd door matroos Prins
afgelost en ging op zijn beurt naar beneden.
In
de machinekamer stond het water inmiddels boven de vloerplaten, bij het
vliegwiel borrelde het omhoog.
Olieman de Jong verklaarde om 20.00 uur met de 1e machinist Roelof
Deets op wacht gekomen te zijn en om 22.00 uur naar de kombuis gegaan te zijn om
koffie voor de 1e machinist te zetten. Voor het opkomen van hun wacht
hadden zij tijdens hun ronde niets verdachts gevoeld of gehoord. De Jong hoorde
in de kombuis de eerste machinist schreeuwen. Hij rende naar bene-den en zag het
water achter het vliegwiel omhoog spuiten tot tegen de koelkast. Hoewel de
pompen bijgezet waren bleef het water rijzen.
Roelof
Deets begaf zich naar de voorkant van de machine en verdween plotseling. Niemand
heeft hem daarna meer gezien. Vermoed wordt dat de vloerplaten door het hevig
instromende zeewater weggedrukt waren en de 1e machinist eronder
geschoven is. De 2e machinist slaagde erin de winch aan te zetten en
de hulpdynamo te starten. De stuurman had olielampen klaar staan. Iedereen had
een zwemvest aangetrokken. Toen de hoofdmotor uitviel kon er niet meer gepompt
worden. De sleutels van de dekpompen bevonden zich in de onder water staande
machinekamer. Er kon niet met de hand gepompt worden.
De
Elie maakte slagzij. De schipper gaf een S.O.S. De reddingssloep werd
klaargemaakt. De draad van de giek ontbrak echter, de sloep moest met de hand
overboord gezet worden. Verschillende vuurpijlen werden afgeschoten. Het leek
alsof het schip bleef liggen. De schipper gaf order om een sleeptros klaar te
maken. De slagzij nam even later toe, de schipper gaf de order: `verlaat het
schip.`
Ze sprongen in de sloep, deze sloeg echter tegen het schip aan. De schipper brak
zijn been en de Jong kwetste zijn hand ernstig. Ze gingen terug aan boord.
De Engelse trawler `Grandy Queen` kwam nabij, op haar verzoek werd er nog een
vuurpijl afgeschoten. Zij manoeuvreerden zo dichtbij, dat matroos Haasnoot kon
overspringen.
De schepen sloegen uit elkaar, het Engelse schip ging aan lij liggen. Ze gooiden
reddingsboeien met Holmes licht uit. De opvarenden van de IJM. 32 sprongen te
water.
10 man werden aan boord genomen. Matroos H. Prins bleek te zijn overleden. De
schipper stierf enige tijd later; 4 opvarenden werden vermist:
1e
machinist R.Deets,
2e
machinist W. van Dijk,
Matroos
A. kok
Kok
E. van der Hars.
Volgens de stuurman is de IJM. 32 gezonken op 19 oktober 2.00 uur op 56 graden,
30 minuten N.B en 3 graden en 40 minuten O.L.
De oorzaak van het lek slaan is nooit achterhaald.
Dit
gedicht heb ik voor hem gemaakt:

Jij
bent met eer gegaan
en
zal in mij blijven bestaan.
Ik
had je mijn dochter graag laten zien.
Kan
dat straks misschien?
Er
is altijd een moment op de dag
waarop
ik aan je denk,
jij
zit in mijn genen
en
dat is een godsgeschenk...
dirts@
De
ondergang van de YM 32 , de Elie Cheneviere.
Mijn
opa is ook overleden op die bewuste avond in 1961, het betreft matroos Henk
Prins , mijn opa dus , die ik nooit heb gekend, alleen op foto.
Ik
heb wel een heleboel verhalen gehoord van mijn moeder en mijn oma , die nog
steeds leeft ( 85 jaar ) de vrouw in der tijd van mijn opa henk prins. Ik weet
wel dat er een hoop mankeerde aan de Elie, dat is wat mijn oma mij verteld
heeft. Ze zei dat dat schip helemaal niet meer geschikt was voor op zee maar de
Elie werd toch de zee op gestuurd door de rederij Marezaten.
Ze zei tegen mij: Henk hoefde niet naar zee hoor , maar hij wilde zelf, hij zat in die tijd thuis in de ziektewet omdat ie een ongeluk had gehad op de hoogovens. Daar werkte hij toen, hij had wel al eerder gevaren bij de Marezaten maar is toen een tijdje op de hoogovens gaan werken , hij had een verwrongen duim, over gehouden van dat ongeluk op de hoogovens , met die hand zei henk tegen mijn oma , ik ga weer naar zee hoor, nou, zei mijn oma, dan moet je weer gaan praten daar , maar zou je dat nou wel doen met die duim?
Toen
zei die , ach , eenmaal op zee spoelt het zoute water mijn duim wel weer schoon
....En op de bewuste avond en nacht in 1961 is mijn opa verkeerd gesprongen
vanaf de Elie op de Grandy Queen en toen is hij tegen de Grandy Queen aan
geklapt, omdat de timing verkeerd was op het moment van de sprong. Toen is hij
tussen de twee schepen in gekomen en omdat hij een olie stook aan had en ook
niet kon zwemmen, is mijn opa dus letterlijk verdronken. Hij had olie in
zijn longen gekregen.
M.W. 35 jaar, IJmuiden

Vluchtig
heb ik de stofnesten er af geveegd, hoekjes waar nooit in gekeken wordt, zijn
immers geweldige stoftrekkers. Zo ook het hoekje waar deze doos zijn verblijf
had gevonden. Hoekjes die er zijn om te vergeten, al is het maar voor even, maar
absoluut niet te verwarren met hoekjes waar altijd de dingen te vinden zijn die
je kwijt bent. Voorzichtig vouw ik de kleppen open, hoewel ik weet wat er in
huist, blijft de inhoud mij een vreemd gevoel geven. Scherven van het verleden
wat bijna een vorig leven lijkt, vol geheimen, waar thuis zo anders was dan
overal. Wat boven op ligt lijkt onbelangrijk, helemaal omdat hetgeen ik het
liefst in handen wilt hebben , de structuur willen voelen in de palm van mijn
hand, en hoe wel stoffig en muf ik nog steeds de geur van toen kan ruiken als ik
goed mijn best doe. Hoe wel het erg aanlokkelijk is om de doos om te kieperen,
omdat het de snelste en makkelijkste weg is om mijn doel te bereiken, haal ik
rustig en beheerst de dingen die nu toch echt in de weg liggen uit de doos en
leg ze voor me op tafel met in mijn achterhoofd ze straks rustig te zullen
bekijken, wetend dat het er waarschijnlijk niet van zal komen.
Het ding onder in de doos weet mij er altijd toe te verleiden een fles wijn open
te trekken en het rustig keer op keer te bekijken, hoe vaker ik er door heen
blader hoe harder ik ga grinniken tot het over gaat in een bulderlach en niet
veel later in bijna hysterisch gehuil, de buren zullen wel denken..
Pas
wanneer ik de volgende ochtend wakker word, met mijn hoofd op tafel mijn arm om
de nog enigszins stoffige doos heen een lege wijnfles in mijn hand, en een
tweede op tafel zie ik wanneer ik mijn hoofd op til en mijn ogen dichtknijp
tegen het licht wat na zo'n avond altijd te fel is. Ik schuifel naar de
douche waar ik tussen de warme dampen door weet te constateren, vlak voor de
spiegel beslaat en de wereld zo even laat verdwijnen, dat de rieten zitting van
mijn keukenstoel een duidelijke afdruk van het gevlochten patroon heeft
achtergelaten op mijn billen, terwijl ik probeer te onthouden hoe het ooit
was...
Mijn haren nog nat van het water en de wijn ingeruild voor een hete mok thee
stop ik alles weer in de doos, op de zelfde volgorde waarop ik het eruit heb
gehaald.
Het boven op leggen kan ik niet, al zou het me de volgende keer een hoop moeite
besparen, ik zou ook horen hoe hard het gilt om mijn aandacht, zo bang om in de
vergetelheid te raken.
Ik
zucht een maal diep, schud het gevoel van me af en zet de doos weer in het
hoekje om niet zo zeer de doos maar vooral haar inhoud weer even te kunnen
vergeten...
Naomi Post, 3 juli 2007

De
mist was al opgetrokken, maar die serene stilte bleef….Rob zit alleen
thuis. Eigenlijk te niksen. Op de tv is niets en de computer heeft hij nu ook
wel even gezien. Toch blijft hij onrustig. In huis is het donker. Rob vindt dat
wel fijn, het geeft hem normaal gesproken een veilig gevoel. Het gevoel van
“even niets om je heen”, zelfs geen alles verradend licht. Geen spotlights.
Maar vanavond…. vanavond is het anders. Onrustig staat hij op van de bank.
Zoekend naar iets om handen. Eerst maar een colaatje inschenken….
In zijn ooghoek ziet hij een schim. Rob schrikt ervan. Hij is toch al zo
gespannen.
Hij doet het licht aan. Dat voelt ineens een stuk prettiger. Zekerder. Voetje
voor voetje loopt hij naar het raam. Er ligt iets op het pad. Hij kan het niet
zo gauw thuisbrengen. Turend in het donker ziet hij een doos. Een doos? Wie legt
er nu een doos op zijn pad? Het is windstil, dus het is niet aan komen waaien.
Nieuwsgierig
stapt Rob naar buiten. Daar moet hij het fijne van weten. De doos staat open.
Wat moest hij nu ook alweer doen in geval van onbetrouwbare pakketjes? De
politie bellen of 112? Het is nog niet levensbedreigend en aangezien de doos
open staat kan hij misschien voorzichtig een
kijkje nemen. Even maar…
Rob
loopt op de doos af. Op twee meter afstand blijft hij staan. Op z’n tenen
balancerend kijkt hij in de doos. Het vage licht van de keuken schijnt erin.
Leeg? Een lege doos? Rob doet een stapje dichterbij. Voorzichtig klapt hij de
doos helemaal open. Er zit niets in. Helemaal leeg. Of toch niet? Op de bodem
van de doos staat iets geschreven.
help texel vuurto
Help,
Texel, Vuurto ? Wat heeft dat nu te
betekenen? Vuurto? Vuurtop? Vuurtje? Vuurtoren!! Natuurlijk, dat zal wel voor vuurtoren staan.
De vuurtoren op Texel. Zal er nu echt iemand om hulp vragen, of is dit
een geintje? Hakke-tenend
staat Rob bij de doos. Wat zal hij doen? Toch maar de politie bellen? Nee, als
het een geintje is staat hij er mooi op. Hij
piekert zich suf, wat nu te doen. Er zal toch maar echt iemand in nood zijn, dan
kan hij hier toch niet zo blijven zitten?
Misschien kan Hans, zijn vriend, hem wel helpen. Rob trekt zijn jas aan
en stapt de koude avond in. Hij zet z’n kraag iets hoger op. Het is stil op
straat, de mensen zitten waarschijnlijk allemaal lekker voor de warme haard.
Geef ze eens ongelijk!
Aan het eind van de
straat staat de winkel van Hans’ vader. Hij heeft een goedlopende kunsthandel.
Rob ziet vanuit de verte dat het licht in de winkel brandt. Zo laat nog? Als Rob
dichterbij komt, hapt hij ineens naar adem, z’n hart slaat een slag over….
Daar
ligt nog een doos, voor de winkel van Hans’ vader.
In lichte paniek loopt Rob op de doos af. Zal deze ook leeg zijn, of
misschien staat er ook een boodschap in? Hij maakt de doos open.
HELP TX 23 HANS
Hier
kan hij helemaal niets mee. Met de doos onder zijn arm, belt hij aan bij Hans.
Maar als hij door het etalage raam naar binnen kijkt, ziet hij tot zijn schrik
dat de muren in de winkel wel erg leeg zijn… Rob belt en bonkt op de glazen
deur, maar er is geen teken van leven in de winkel of in de woning erboven.
Gauw loopt Rob weer naar huis, met de doos goed onder zijn arm geklemd, af en
toe achterom kijkend. Bij ieder geluid dat hij hoort, gaat hij harder lopen.
Bijna rennend komt hij bij zijn huis aan. Zijn ouders zijn nog niet thuis.
Gelukkig ligt er altijd een reservesleutel naast de deur in het gras verstopt.
Nu
zit hij met twee “lege” dozen. Hij neemt ze mee naar zijn zolderkamer.
Toch maar de politie bellen. Zullen ze hem geloven? Dan moeten ze maar een
kijkje nemen bij de winkel, dan zien ze zelf wel dat er schilderijen gestolen
zijn en dat Hans en z’n vader er niet zijn…
De
politie belooft een kijkje te gaan nemen en dat Rob nog wel van hen hoort…De
agente kon nauwelijks een gaap onderdrukken, dus Rob krijgt nu niet echt het
idee dat er snel actie ondernomen zal worden.
Rob weet gewoon zeker dat Hans iets is overkomen. Hij pakt de twee dozen er nog
eens bij en laat z’n brein op volle toeren werken.
Help,
Texel, Vuurtoren en Help, TX 23, Hans. Er moet iets gebeurd zijn met Hans en hij
heeft duidelijk hulp nodig. Die vuurtoren op Texel is vast een belangrijke
aanwijzing. Rob besluit zelf op onderzoek uit te gaan. Misschien heeft Hans geen
tijd te verliezen en het politie onderzoek zal nog wel even op zich laten
wachten. Dus: OP NAAR DE VUURTOREN!
De dozen neemt Rob voor de zekerheid maar mee; deze legt hij voorin zijn
bakfiets. Met een zwierige zwaai, springt hij op zijn bakfiets en fietst de
donkere, kille nacht in.
Na een stevige fietstocht komt hij aan bij de dijk. Als hij langs de dijk
blijft fietsen, komt hij vanzelf bij de vuurtoren. In de verte doemen ineens
twee koplampen op. In een reflex gooit hij zijn stuur om en belandt hij in het
gras aan de zijkant van de weg. Gauw neemt hij de fiets aan de hand en loopt het
veld in, hopende dat de automobilist hem in het donker niet ziet. Op dit moment
vertrouwt hij niemand! De auto
blijkt een kleine vrachtwagen te zijn, en rijdt gelukkig langs Rob. Niemand
heeft hem gezien! Als het vrachtwagentje voorbij raast, ziet Rob dat het een
verhuiswagen is. De naam kan hij in de gauwigheid niet lezen.
Door
de wind die
de vrachtauto veroorzaakt, waait er een doos uit zijn bakfiets! Hij stuitert
over de weg naar de overkant en blijft daar liggen!
Tot
zijn schrik remt de vrachtwagen en keert om. Vlak voor de doos remt de wagen
opnieuw en er stapt iemand uit! De man pakt de doos op en gooit hem achter in de
verhuiswagen. “Eén van onze dozen, zeker verloren op de heenweg! Karren maar
weer, Henk!”
Tot
Rob’s opluchting keert de wagen weer de goede kant op en rijdt door. Het zweet
staat hem in de handen. De doos met TX 23 ligt nog in zijn bakfiets. Nu eerst
maar op weg naar de vuurtoren en kijken of hij daar een spoor van Hans kan
ontdekken!
De
vuurtoren ligt er verlaten bij. Rob schuift z’n bakfiets in de berm en loopt
naar de vuurtoren. Hij loopt er een rondje omheen en rammelt even aan de deur.
Niets…
Tegenover de vuurtoren ligt een oud huis. Rob besluit daar maar een kijkje te
gaan nemen.
Hé,
de deur staat op een kier. Zal Hans hier zijn? Rob duwt de deur voorzichtig
open, maar kan niet voorkomen dat de deur kraakt. Hij stapt de drempel over.
Zijn ogen moeten even aan het donker wennen. Dan loopt hij de donkere gang in.
Hij ruikt de geur van een pas gedoofde sigaret. Er moet hier dus net nog iemand
geweest zijn. Rob stapt een kleine kamer binnen. Omdat het erop lijkt dat er
niemand meer is, doet hij het licht aan.
In de saaie kamer staat slechts één tafel met 4 stoelen. Getuige de
koffiemokken op tafel zijn er hier meerdere mensen geweest. 
Dan
hoort Rob een geluid. De haren op zijn armen schieten recht omhoog en het
kippenvel bekruipt hem. Hij spitst zijn oren en houdt zijn adem in. Het slepende
geluid lijkt wel van boven te komen. Rob sluipt de gang in en pakt de trap naar
de eerste verdieping. Boven in het halletje blijft hij staan en luistert nog
eens…
Er sleept iets over de grond. Met ingehouden adem loopt hij richting het
kamertje, waar het geluid vandaan komt. Turend langs de deur ziet hij iemand op
de grond liggen. Het lijkt erop dat zijn handen achter z’n rug gebonden zijn
en de persoon sleept zichzelf over de grond richting de deur.
Rob besluit de kamer in te stappen. De jongen op de grond schrikt op. Nu pas
ziet Rob dat het zijn vriend Hans is! “Hans!, wat doe jij hier nou? Wat is er
gebeurd?”
“De
schoften!”, roept Hans uit. “Maak me eerst los, dan leg ik je alles uit,
maar we moeten opschieten, voor het te laat is!”
Rob bevrijdt Hans uit zijn benarde positie. En Hans stort zijn verhaal uit:
“Ik wist wel dat je mij zou vinden! Maar kom op, we moeten snel naar de haven.
Ik leg je alles onderweg wel uit!”
Eenmaal
op de bakfiets wordt het Rob allemaal snel duidelijk: De kunsthandel
van Hans’ vader is beroofd. Dieven stopten alle schilderijen in een
verhuiswagen. Hans probeerde ze nog tegen te houden, maar werd meegenomen door
die gasten. Ordinair ontvoerd gewoon! Hij hoorde ze in de wagen praten over hun
plannen: dat ze op weg zouden gaan naar de vuurtoren en dat ze daar op iemand
moesten wachten alvorens naar de haven te rijden. Boot TX23 had hij horen
vallen.
Nu
lagen er in de verhuiswagen nog een heleboel gebruikte verhuisdozen. De enige
manier die Hans zo snel had kunnen bedenken om aandacht te trekken, was om in
die dozen een bericht achter te laten in de hoop dat iemand ze zou vinden! “Ik
voelde me net Hans én Grietje”. Maar goed, zijn plan had wél gewerkt! Het
toeval wilde gewoon dat ze langs Rob’s huis waren gereden en dat Hans kans had
gezien om een doos uit de vrachtwagen te gooien.
Rob
is ondertussen helemaal buiten adem van het fietsen met die zware bakfiets met
passagier. Hij is blij dat Hans heeft kunnen ontkomen, maar hij wil nu toch ook
graag dat de schilderijen terecht komen!
De jongens naderen de dijk. Eerst maar eens op veilige afstand de
situatie opnemen. Ze springen van de bakfiets en gebukt sluipen ze naar de dijk.
“Laten we die doos nou meenemen, die geldt mooi als bewijsmateriaal voor de
politie! We mogen hem écht niet verliezen!”
De jongens sluipen de trap op en zien in de verte de haven. De verhuiswagen
staat op de kade en er worden schilderijen van de wagen in de boot geladen.
“We zullen toch dichterbij moeten komen!”. Daar is Rob het wel mee eens,
maar hij vindt toch wel dat het een gevaarlijk avontuur wordt, op deze manier.
Hij is zo wijs om eerst de politie te bellen. Hij doet vlug het hele verhaal en
de politie belooft zo snel mogelijk naar de haven te komen.
“Als ze nu maar niet te laat komen! Er zit voor tienduizenden euro’s
aan kunst in die boot!”
Het
was allemaal heel snel gegaan: met loeiende sirenes was de politie aangekomen.
Binnen no-time was de oude kotter omsingeld geweest. Vijf mannen hadden ze van
de boot gehaald. Geen lieverdjes, bleek achteraf.
De mannen hadden er heel wat voor over gehad om de wereldberoemde
schilderijen duur te verkopen op de zwarte markt. Hans
had wat roet in het eten gegooid. Gelukkig hadden ze hem niets ergers aangedaan.
Hij wist toch al behoorlijk veel…
Die truc met de verhuisdozen heeft hem wel gered. En Rob natuurlijk…

De
burgemeester kon het ook zo mooi verwoorden: kordaat optreden… gouden vriendschap…knap denkwerk… en zo nog
meer…
Ja, Rob was wel tevreden; die ere medaille ach, mooi was ’ie niet, maar het
ging om het idee. De vriendschap met Hans: die was pas om in te lijsten!

De dijk lag er machtig bij. Groot, robuust, vol kracht.
De dijktrap verschafte de nieuwsgierige wandelaar toegang tot de rug van de hoge dijk.
Pal onderaan die trap stond de lege margarinedoos van Oostgronings karton.
Het was de lievelingsdoos van een zwart katertje, Vlieg geheten.
Anna, het meisje van negen jaar, had haar lievelingspoes precies op deze plek voor het laatst gezien. Nu drie dagen geleden.
Anna hoopte vurig dat ze Vlieg met de doos terug zou lokken uit het verre onbekende.
Anna had de doos onderaan de trap gezet.
Vlieg kon zo heerlijk spinnen en hield bovenal van Anna en zijn doos.
Anna had zich aan de andere kant van de dijk verstopt. Ze zou Vlieg zeker horen als die zich spinnend in de doos zou dozen.
“Vlieg., kom nou dozen. Kom vlug.”
Ze dacht hem al te horen.
Daar was hij….of was het de wind?
A. de Boer - Den Helder maart 2006

Een
doos vol herinneringen.
Peinzend
stond de oude man voor het raam van zijn molen. Hij keek met een afwezige blik
naar de koeien die op een steenworp afstand van de molen liepen.
De man schrok van het geluid van de bel. Het was nu bijna zover wist hij. Zijn
oudste dochter stond voor de deur. Zij zou hem vandaag helpen met zijn
verhuizing. Samen zouden ze zijn spulletjes inpakken.
Met tegenzin opende hij de deur en liet haar binnen. Hoi pap, zullen we maar
meteen beginnen ? zei ze. Jaa, jaa antwoordde de oude man.
Hij had helemaal geen zin in deze dag. In deze molen was hij 50 jaar geleden
begonnen als molenaar. Hij werkte iedere dag heel hard om geld te verdienen voor
zijn gezin. Zijn dochters waren hier geboren en zijn vrouw was hier 8 jaar
geleden overleden.
Pap, schiet nou op, help eens mee anders redden we het niet voordat de
verhuizers komen.
Hij liep naar de kast deed de deur open en pakte het houten kistje. Hij keek
erin en haalde er een stapeltje foto’s uit. Kijk, riep de oude man, hier sta
jij op toen je nog een baby was. Zijn dochter hoorde het niet want ze had het te
druk met inpakken.
Hij nam het kistje en liep ermee naar de kamer. Daar zag hij de lege doos op de
tafel staan. Hij zette het kistje erin en liep met de doos naar beneden. Hij
wist nog dat zijn vrouw wat oude fotoboeken in de kast had staan. Hij opende de
deur van de kast en pakte de door ouderdom versleten boeken. Deze deed hij ook
in de doos. Hij plakte de doos goed dicht en schreef met een bibberend
handschrift op de bovenzijde “zeer belangrijke doos”.
Zijn dochter riep, pap de verhuizers zijn er !!.
De mannen kwamen binnen en begonnen zijn dierbare spulletjes in de verhuiswagen
te laden. Zo meneer, geef die doos maar aan ons, dan zetten wij hem wel even in
de wagen.
Nee heren, deze doos verhuis ik zelf.
Hij liep ermee naar buiten en droeg de doos vol dierbare herinneringen alsof de
doos van goud was. Het was zijn grootste schat.
Deze doos zou hij zelf wel naar zijn nieuwe kamer brengen. Terwijl hij naar de
auto van zijn dochter liep dacht hij: “nu is de molen door de vang”.
Syl
Eijk-Bos
Zonder
toestemming van de auteurs is het verboden om een verhaal of delen van een
verhaal voor andere doeleinden te gebruiken.
Alle rechten die uit deze verhalen voortvloeien vallen onder het auteursrecht.